de seizoenen
winter
Als er sprake is van nieuwe of vervangende aanplant, dan wordt dat in de periode november-januari gedaan of in het voorjaar. De bomen zijn in de periode november-januari in rust. Een voordeel van het planten in de winter is dat de bomen al een vaste voet in de grond hebben. De grond heeft zich al wat vaster om de wortels heen gevormd. Wordt er in het voorjaar geplant, dan moet de boom gelijk al over voldoende water kunnen beschikken, omdat de boom dan al actief is. Een voordeel van in het voorjaar planten is het feit dat de bodem dan al is opgewarmd, waardoor de bomen makkelijker "weggroeien".
In de periode oktober-februari wordt potgrond uitgereden over de zwartstroken. Kersen wortelen ondiep, de potgrond beschermt de wortels tegen vorst. Tevens zorgt de potgrond voor een goede bodemstructuur waardoor de waterhuishouding beter geregeld is.
In februari-maart volgt de grote snoeironde. De bomen beginnen dan actief te worden en snoeiwonden zullen daardoor sneller helen. De kop wordt begrensd op ongeveer 2,5m tot 3m hoogte. De vergaffeling (vertakkingen in de top) knippen we weg omdat die te veel licht vangen. Zware takken worden op een stomp teruggesnoeid en her en der nemen we zijtakjes terug.
Ook passen we wortelsnoei toe om de groei te remmen. Met een mes gaan we door de grond en snijden aan een kant van de bomenrij de wortels door. Het volgende jaar gaan we langs de andere kant van de rij op.
In deze periode kan nachtvorst ook al schade toebrengen. Om schade zo veel mogelijk tegen te gaan houden we het gras kort en de zwartstroken onder de bomen vrij van onkruid. Afhankelijk van de soort vorst (stralingsvorst of aangevoerde koude), de wind en de knopontwikkeling bepalen we of de zogenaamde frostguards aangaan. Dit zijn een soort heteluchtkanonnen.
lente
In de lente is de knopontwikkeling in volle gang. Van belang is een juiste voeding en die geven we via de druppelslangen. In deze periode voeren we bespuitingen uit tegen schimmels en bacterieziekten en eventueel rupsen en luizen en de kersenvlieg. We doen veel waarnemingen in het gewas, zodat we ziektes en plagen in een vroegtijdig stadium kunnen bestrijden.
Naast chemische bestrijding maken we ook gebruik van de natuur. De torenvalk in onze torenvalkenkast moet ervoor zorgen dat de muizenpopulatie binnen de perken blijft. Muizen vreten namelijk aan de wortels en daar gaat een boom aan dood. De rupsen worden goeddeels weggevangen door de koolmeesjes die nestelen in de kasten die we hebben opgehangen. Lieveheersbeestjes houden de luizenpopulatie onder controle.
In deze periode wordt de overkapping over de bomen getrokken. Deze is bedoeld tegen de regen en tegen de vogels. Waneer ongeveer 10 procent van de bloemen in bloei staat, zetten we bijenvolken van de imkervereniging in Wehl in om de bestuiving goed te laten verlopen.
Wanneer het blad aan de bomen zit, geven we naast voeding via de druppelslangen ook bladvoeding. Dit doen we met de spuit. De voeding komt dan direct in het blad en hoeft niet eerst via de wortels opgenomen te worden.
zomer
En dan breekt de pluk aan. We plukken van half juni tot begin augustus. De veelheid aan rassen zorgt er voor dat we de hele periode door kersen hebben. Meestal plukken we een boom in twee keer met een tussenpoze van enkele dagen, want de kersen zijn niet allemaal tegelijk rijp. De kersen die niet dezelfde dag verkocht worden, komen (afhankelijk van de weersomstandigheden) in de koelcel terecht waar ze bij 2 graden Celcius bewaard worden om de volgende dag te worden verkocht.
herfst
Na de pluk gaat de overkapping er weer af en worden reaparaties aan het folie en het net uitgevoerd.
Na de pluk geven we nog een aantal keren bladvoeding mee. De boom moet nu namelijk reserves op gaan bouwen voor de knoppen voor volgend jaar. Die knoppen zitten nu al aan de boom. Hergroei in deze periode is niet gewenst, want dat gaat ten koste van de reserve opbouw. Hergroei kan voorkomen worden door een juiste watergift in de zomer. De watergift baseren we op basis van de vochtspanning in de grond. Deze kunnen we meten en daar passen we de watergift op aan. Na de pluk volgt ook nog een kleine snoeironde om voldoende licht in de bomen te krijgen. Dit bevordert de knopvorming.
Als het blad begint te vallen ontstaan er vele kleine wondjes aan de boom. Deze wondjes zijn een invalspoort voor ziektes. Tijdens de bladvalperiode moeten we dus een aantal keren spuiten om de boom tegen deze ziektes te beschermen. Daarnaast is het van belang dat het blad zo snel mogelijk verteert. Dit geeft schimmels minder kans te overleven. De bladvoedingsstof ureum zorgt er voor dat het blad sneller verteert. Een keer extra maaien draagt ook bij aan een snellere vertering van het blad.
